Jongensturnen

Herenturnen

Het herenturnen omvat zes toestellen: Vloer – Voltige – Ringen – Sprong – Brug – Rekstok. Ieder turntoestel heeft zijn eigen kenmerken en zijn eigen uitdagingen. Dit maakt het turnen zeer gevarieerd. De technieken vereisen meer training dan bij de gymnastiek. Denk hierbij aan salto’s, handstanden, radslagen, zwaaien in de brug, aan de rekstok en aan de ringen. Om te kunnen turnen is een natuurlijk gevoel voor bewegen belangrijk. Ook dient een turner sterk en lenig te worden. Turners krijgen echte spierballen, maar kunnen ook nog in de spagaat zitten!

TURNTRAINING
De turntrainingen starten altijd met een warming-up. Hierin wordt aandacht besteed aan loopvormen, springen, kaatsen, steunen en lenigheid. Na de warming-up komen algemene turnvaardigheden aan bod, zoals handstanden, radslagen, koprollen, plankspringen en meer. Vervolgens gaan de jongens aan de slag met verschillende turntoestellen en trampolines. Tijdens de trainingen is er tijd om wat te drinken en te eten om de energie op peil te houden.

TURNSELECTIE
Niet iedereen heeft voldoende aanleg, kracht of lenigheid om een turner te worden. Daarom vindt er altijd een selectie plaats door de trainer. Na enkele proeflessen wordt, in overleg met trainers en ouders, gekeken of een nieuw lid in een bepaalde groep geplaatst kan worden.

WEDSTRIJDEN
Alle turners doen in principe mee aan wedstrijden. De trainers bepalen aan het begin van het seizoen op welk niveau een turner gaat deelnemen (landelijk of regionaal). In november is er een speciale informatiebijeenkomst voor de ouders van wedstrijdturners, waarin de gang van zaken uitgebreid wordt toegelicht.

Geef een reactie